Categorie archief: ouderen

93

Tjonge jonge. Mijn oma wordt vandaag 93. Ik ben trots op haar. Woont zelfstandig, rijdt – welliswaar alleen als het licht is – auto, heeft een iPad waar ze welliswaar vooral Wordfeud op speelt, loopt -welliswaar met rollator – es de stad in en is goed bij de pinken. Ze heeft welliswaar een gehoorapparaat , een steeds kleiner wordende kennissenkring en misschien volgt ze niet alle gesprekken even goed, maar is in goede gezondheid en dit jaar kan ze hopelijk haar eerste achterkleinkind in haar armen houden.
Dus maakt niet uit hoe weinig ik geslapen heb, of hoe ik me voel, ik ben zodirect bij haar op de koffie

Heilig huisje

Zelden werkte ik voor een organisatie waar alles zo verzuild is dat er bijna geen mensen meer werken, maar standbeelden. Niets krijg je snel gedaan en vaak kun je het woord “snel” ook beter maar weglaten.

Een eigen mailadres voor de coördinatoren? Al meer dan twee jaar wordt hierop gewacht.

Een antwoord geven op een dringende vraag wat betreft storingen met de diensttelefoons (dus waar tijdens de zorg met elkaar, maar ook door de cliënt met de zorgverlener gecommuniceerd wordt): u kunt wachten tot u een ons weegt of misschien komen we een keertje in beweging als er zich in de avonddienst eens een calamiteit voordoet.

Het toppunt van deze week (of misschien wel aller tijden): een zelfstandig wonende cliënt die vanavond zo in de war is dat ze in de stromende regen op haar balkon staat en zich van angst alleen maar aan de leuning van het balkon kan vasthouden en de arts komt “als hij toch naar ons gebouw moet komen voor het personeelscabaret”: 2 uur later. Er was gelukkig al een afspraak dat mevrouw bij ernstige ontregelingen een plekje kreeg in het verpleeghuis, maar daar moest die “grappige” arts wel eerst toestemming voor geven. De kinderen van deze cliënt hebben haar maar zelf naar het verpleeghuis aan de overkant van de weg gebracht, nadat een lid van de verzorging dus bijna anderhalf uur op mevrouw heeft gepast en dus niet aan de andere zorgvragers toekwam. “Nou, als die rotdokter dan eindelijk wel komt, dan mag hij hier wel even de handjes uit de mouwen steken om onze achterstand weg te werken”, zei één van de verzorgenden kwaad.
ONGELOOFLIJK.
Een lid van het hoger management-team omschreef het treffend: “St. Juttemis is onze patroonheilige“.

Tijd om dan maar een andere te gaan zoeken.

Of ik maar eens een andere organisatie?

Heilig huisje

Zelden werkte ik voor een organisatie waar alles zo verzuild is dat er bijna geen mensen meer werken, maar standbeelden. Niets krijg je snel gedaan en vaak kun je het woord “snel” ook beter maar weglaten.

Een eigen mailadres voor de coördinatoren? Al meer dan twee jaar wordt hierop gewacht.

Een antwoord geven op een dringende vraag wat betreft storingen met de diensttelefoons (dus waar tijdens de zorg met elkaar, maar ook door de cliënt met de zorgverlener gecommuniceerd wordt): u kunt wachten tot u een ons weegt of misschien komen we een keertje in beweging als er zich in de avonddienst eens een calamiteit voordoet.

Het toppunt van deze week (of misschien wel aller tijden): een zelfstandig wonende cliënt die vanavond zo in de war is dat ze in de stromende regen op haar balkon staat en zich van angst alleen maar aan de leuning van het balkon kan vasthouden en de arts komt “als hij toch naar ons gebouw moet komen voor het personeelscabaret”: 2 uur later. Er was gelukkig al een afspraak dat mevrouw bij ernstige ontregelingen een plekje kreeg in het verpleeghuis, maar daar moest die “grappige” arts wel eerst toestemming voor geven. De kinderen van deze cliënt hebben haar maar zelf naar het verpleeghuis aan de overkant van de weg gebracht, nadat een lid van de verzorging dus bijna anderhalf uur op mevrouw heeft gepast en dus niet aan de andere zorgvragers toekwam. “Nou, als die rotdokter dan eindelijk wel komt, dan mag hij hier wel even de handjes uit de mouwen steken om onze achterstand weg te werken”, zei één van de verzorgenden kwaad.
ONGELOOFLIJK.
Een lid van het hoger management-team omschreef het treffend: “St. Juttemis is onze patroonheilige“.

Tijd om dan maar een andere te gaan zoeken.

Of ik maar eens een andere organisatie?

Duifje

Er lag iets op het trottoir. Iets ondefinieerbaars van veraf, een stuk van een dooie kat ..   of??? Maar het bleek een duivenjong. Spuuglelijk zijn ze, maar ja, ik kon hem toch niet daar op die koude stoeptegel laten liggen. Ik pakte hem op en meteen klauwde hij zijn pootjes om mijn vingers en kroop in het holletje van mijn handen. Bij elk windvlaagje drukte hij zich nog dichter tegen mijn handen aan.
Ik nam hem mee naar mijn werk, waar ik dan de dierenambulance zou kunnen bellen om hem op te komen laten halen. Eenmaal binnen werd ik echter meteen zelf gebeld door mijn collega dat er een bewoner was overleden en dat ik even langs de verzorgende, P., moest gaan om van alles te regelen. De dierenambulance even snel gebeld, duifje in een bakje op mijn bureau gestald en dan maar naar boven.

De bewuste bewoner kreeg geen zorg van ons, wel één keer per week, al meer dan tien jaar op dinsdag, huishoudelijke verzorging. En de huishoudelijke hulp stond deze dinsdagochtend dus vergeefs aan te bellen. P. moest de deur openen om te kijken wat er aan de hand was. Mevrouw bleek op de bank overleden. Nu waren er verschillende complicerende bijkomstigheden. Het beleid is dat wij nooit zonder toestemming het appartement van de bewoner openmaken. In dit geval was er dus formeel sprake van huisvredebreuk. Dus P. had de politie ingeseind en de heren stonden met drie man sterk al in het appartement. Op zich geen probleem, zij konden dus formeel vaststellen waarom de deur was opengemaakt en de tweede complicerende bijkomstigheid maakte hun aanwezigheid erg praktisch. Want de huisarts wilde niet komen om het overlijden van mw. vast te stellen. Dus kon de schouwarts van justitie gebeld worden om dit te doen.

Wij moesten ondertussen in de spullen van mevrouw gaan zoeken naar een uitvaartpolis. Want, een andere complicerende factor: mevrouw had geen familie meer. Normaal regelt de familie namelijk dit soort dingen bij zelfstandig wonenende bewoners.

Het zoeken tussen de spullen vond ik erg onprettig. Gelukkig vond P. al snel de polis en hier stond erg veel nuttige informatie in. Namelijk bij wie alles geregeld was en ook dat mw. een testament had opgesteld (precies een jaar geleden overigens). Nadat een ieder ingeschakeld was, moesten we wachten op de schouwarts.

En ondertussen werd ik gebeld dat de dierenambulance gearriveerd was. De dames stelden vast dat het hier inderdaad een duif betrof en pakten hem meteen goed stevig beet om hem mee te nemen. Dus scheet het arme beesie zijn darminhoud over hun handen en mijn vloer heen. Erg bruut. Maar hij reageerde alert, dus hij zou het wel halen, dacht ik zo. Ze gingen hem naar het dierenasiel brengen.
De schouwarts kwam een paar uur later. En inmiddels werd ook bekend aan wie mw. al haar bezittingen had nagelaten.

Het dierenasiel.

Toeval bestaat niet???

Een grijze pers

Na een verontrustend telefoontje had ik besloten om de jaarlijkse evaluatie te vervroegen. Deze week al ging ik lang bij twee van onze cliënten in de wijk. TomTom mee, want die stad ken ik nog niet zo op mijn duimpje, met mijn postduiveninstinct.

Helaas ben ik te eigenwijs voor de TomTom, maar toen ik eindelijk wel luisterde, kwam ik inderdaad recht voor de deur van de cliënt. De entourage in de voortuin had me al een voorgevoel moeten geven.
Eenmaal binnen kwam een bekende geur mij tegemoet.

Oude kattenpis.

Niet best, zoals mijn lief zou zeggen. Mezelf door deze muur van geur heenslaand gaf ik mevrouw een hand en stelde me voor. Om meteen met de volgende muur geconfronteerd te worden. Van troep. Ongekend. Teveel om op te noemen. En veel dieren. Afgezien van een hondje, een papegaai en een lapjeskat, lag er tussen de plastic zakken op de bank een grijze pers. Mooi beest, dacht ik nog. Dat zijn toch katten die je echt moet laten trimmen, anders gaan ze er als klittenballen uitzien en dat deed deze niet.

Mevrouw kwam meteen to-the-point. Er is een verzorgende in ons team die ze nooit meer wil zien. Die is zo onvriendelijk en nors, dat trok mevrouw niet meer. Er hielpen geen bemiddelende woorden meer aan. Over de andere verzorgenden niets anders dan lof.

Na ongeveer vijf minuten kwam er iemand naar beneden. Haar zoon. Met een plastic bloembak in de handen, ging hij op een kleinerende toon duidelijk maken dat dit voorwerp toch echt weg moest. “Weheg” riep mevrouw al driemaal tussendoor. Maar zoonlief moest zeker weten dat zijn retoriek bij mevrouw doordrong.

Met meerdere voorwerpen in zijn handen herhaalde hij om de tien minuten dit tafereel. Om met de slotscène af te sluiten dat morgen de mensen van de GGD kwamen en de pers op kwamen halen. “Want je weet, moeder, ze is dement en incontinent. De hele nacht jankt ze de oren van je kop en overal in huis zijn pisvlekken”. “Dat is een goede deductie, mijn beste Watson”, dacht ik.
Moeder begon te huilen. Ik voelde ook wat traanvocht aanzwellen. “Want weet u”, legde mevrouw uit, “deze kat is al negen jaar bij me en ze is nu dertien jaar. En je raakt toch gehecht aan zo’n beesie. Ik liet haar elke maand trimmen. En ik weet zeker dat ze haar morgen in laten slapen.”

“De mensen die morgen komen, die kunnen me wat, vervolgde ze emotioneel. Het zijn toch mijn spullen? Ze kunnen toch niet zomaar in mijn kasten en laatjes? Daarom is mijn zoon nu bezig, om ze voor te zijn. Het is wat mij betreft erop of eronder!!!”

“En alles willen ze van je weten. Ook over mijn zoon. Die heeft een post traumatische stress stoornis. Maar dat gaat hen toch niet aan? Dan bellen ze de dokter in het AMC maar. En die vertelt toch niets zonder toestemming van mijn zoon. Hij slaapt hier, ja. Maar wat doe je als moeder als je zoon geen gezin meer heeft en geen werk en geen huis? Nou? Dan neem je hem gewoon in huis. Dat zou jij ook doen”.

Ondertussen werd me wel duidelijk dat je als verzorgende hier bepaalde karaktereigenschappen moet hebben om mevrouw goed te kunnen verzorgen. Het is ondoenlijk om hier te komen en al te hygiënisch willen werken. Maar vooral een luisterend oor hebben, handelen naar wat je hoort en mevrouw ondanks de situatie met respect tegemoet blijven treden. Met de klacht over de betreffende verzorgende kon ik wel iets en waarschijnlijk de verzorgende zelf ook.

Ik rondde het gesprek af en nam afscheid van mevrouw. Wenste haar sterkte voor morgen.
Eén oogje in de grijze harenmassa op de bank keek me na. Geniet nog maar even, beessie. Want vanaf morgen ben je niet meer in je vertrouwde omgeving. En ben je misschien helemaal niet meer.

Ondersteunende begeleiding

Twee activiteitenbegeleiders waren ziek. Dat betekende een probleem voor de bewoners die naar de dagopvang moesten. Want daar moet op gepast worden tot ze opgehaald worden door het busje. Ik, zei de gek, zou dat die ochtend wel even doen. Naast de helpende hand bieden, ook de gelegenheid om dit deel van de zorg eens mee te maken.

Om 8.30 vatte ik post in de hal, wachtend op de eerste ouderen die met de bus mee moesten. De hal zat al best vol met andere wachtenden. Met allemaal zelfstandige ouderen die een dagje naar de Gelderse vallei gingen met de ANBO, met een andere groep ouderen die een dagje naar tuincentrum Overvecht gingen om de kerstmarkt mee te maken. En dan natuurlijk “mijn bewoners” voor de bus naar de dagopvang.

Het duurde lang voordat de eerste bus kwam. De (voornamelijk) dames hadden veel geduld en kletsten er wat op af. “Waar gaan we vandaag nou naar toe?” “Ach, dat weet ik ook niet precies, maar we gaan in ieder geval vooruit”.

Een andere dame vertelde dat het reisje best duur was, maar: “In je laatste hemd zitten geen zakken, dus je moet het opmaken”.

Dame aan de linkerkant had een zoon, die zijn vriend laatst op zijn 47e een beroerte had gekregen. Waarschijnlijk in een poging de sfeer wat op te krikken riep één van de dames aan mijn rechterkant: “Nou, dat kan mij in ieder geval niet meer gebeuren, op mijn 47e een beroerte krijgen”. Heerlijk, dat gevoel voor humor op je 88e.

Ondertussen werden mijn bewoners wat onrustig, want ondertussen was het al half tien en nog geen bus in zicht. “Ik ga maar naar huis, want ik heb zo’n pijn aan mijn voeten, ik kan geen hele stukken meer lopen”. “Nou, gelukkig maar dat u dan nu lekker kunt zitten, he? De bus komt zo en dan kunt u zich ook mooi laten rijden!” (je moet wat om ze te laten wachten).

Om tien voor tien kwam dan de eerste bus. Alle dames stormden (voor zover binnen hun mogelijkheden passend) naar de voordeur. “Nou dames, laten we eerst even vragen waar deze bus heen gaat, want we moeten allemaal wel op de goede plek terecht komen”. Daar zat wat in. Gelukkig gingen ze allemaal weer zitten.

Drie bussen passeerden, de goede groepen ouderen stapten in en uiteraard de laatste bus was voor “mijn bewoners”.

Ik heb de hele dag als een gek moeten werken om mijn geëigende werk af te krijgen, maar het was de moeite waard. Gouden ouderen.

Ondersteunende begeleiding

Twee activiteitenbegeleiders waren ziek. Dat betekende een probleem voor de bewoners die naar de dagopvang moesten. Want daar moet op gepast worden tot ze opgehaald worden door het busje. Ik, zei de gek, zou dat die ochtend wel even doen. Naast de helpende hand bieden, ook de gelegenheid om dit deel van de zorg eens mee te maken.

Om 8.30 vatte ik post in de hal, wachtend op de eerste ouderen die met de bus mee moesten. De hal zat al best vol met andere wachtenden. Met allemaal zelfstandige ouderen die een dagje naar de Gelderse vallei gingen met de ANBO, met een andere groep ouderen die een dagje naar tuincentrum Overvecht gingen om de kerstmarkt mee te maken. En dan natuurlijk “mijn bewoners” voor de bus naar de dagopvang.

Het duurde lang voordat de eerste bus kwam. De (voornamelijk) dames hadden veel geduld en kletsten er wat op af. “Waar gaan we vandaag nou naar toe?” “Ach, dat weet ik ook niet precies, maar we gaan in ieder geval vooruit”.

Een andere dame vertelde dat het reisje best duur was, maar: “In je laatste hemd zitten geen zakken, dus je moet het opmaken”.

Dame aan de linkerkant had een zoon, die zijn vriend laatst op zijn 47e een beroerte had gekregen. Waarschijnlijk in een poging de sfeer wat op te krikken riep één van de dames aan mijn rechterkant: “Nou, dat kan mij in ieder geval niet meer gebeuren, op mijn 47e een beroerte krijgen”. Heerlijk, dat gevoel voor humor op je 88e.

Ondertussen werden mijn bewoners wat onrustig, want ondertussen was het al half tien en nog geen bus in zicht. “Ik ga maar naar huis, want ik heb zo’n pijn aan mijn voeten, ik kan geen hele stukken meer lopen”. “Nou, gelukkig maar dat u dan nu lekker kunt zitten, he? De bus komt zo en dan kunt u zich ook mooi laten rijden!” (je moet wat om ze te laten wachten).

Om tien voor tien kwam dan de eerste bus. Alle dames stormden (voor zover binnen hun mogelijkheden passend) naar de voordeur. “Nou dames, laten we eerst even vragen waar deze bus heen gaat, want we moeten allemaal wel op de goede plek terecht komen”. Daar zat wat in. Gelukkig gingen ze allemaal weer zitten.

Drie bussen passeerden, de goede groepen ouderen stapten in en uiteraard de laatste bus was voor “mijn bewoners”.

Ik heb de hele dag als een gek moeten werken om mijn geëigende werk af te krijgen, maar het was de moeite waard. Gouden ouderen.

Jeugd

Op woensdag mocht ik om zeven uur ’s ochtends aantreden. Meelopen met het team.
Als een speer spoedde de verzorgende zich door de serviceflat heen, zonder de cliënten een vlaag van gehaastheid te laten merken. Ik was blij dat ik mijn wandelschoenen had aangedaan.
Een bewoner van de aanleunwoningen moest alleen even geholpen worden met zijn bed opmaken en zijn medicatie in te nemen. Van de badkamer liep hij naar de woonkamer. “Och, nu vergeet ik mijn jeugd!”
Terug in de badkamer stopte hij zijn gebit in zijn mond.
Inderdaad, het scheelde minstens tien jaar.

Koninginnedag

Een man liep met zijn vandaag aangeschafte paspop over straat. Die laatste was nog naakt, dus riepen twee oudere mannen: “he joh, moet ze geen kleren aan?”
Na wat schuchter schouderophalen van de eigenaar, verwonderden de oudjes zich tegen elkaar: “vroeger hadden ze nog gewoon Barbies.”